een eeuwigen kringgang van worden en vergaan ingesloten, en beseffen met zekere verbluffing, dat de woorden: oud en nieuw, slechts verschalkende beteekenis bezitten. Want in al het oude kiemt het nieuwe en in al het nieuwe herkiemt het oude. Loochenen wij dan een ontwikkelingsgang, een stijging, een vervolkomening, groei en uitbreiding? Geen oogenblik; doch wij weten dat de immanente, de verborgen krachten die achter het nieuwe werken, ook het oude hebben gedragen en gestuwd, en dat er een onverbrekelijke cosmische en organische eenheid is tusschen al wat bestond en al wat bestaat. Vandaar onze onbegrensde liefde voor het oude, voor oude steden en voor de cultuurtijdperken die over haar heengingen, al blijft onze liefde voor het nieuwe, voor den groei en het toekomstige, even groot.
Wij, die Amsterdam doorzworven hebben op alle uren van den morgen, den middag, den avond en den nacht; die de heerlijke atmospherische stad in al haar nevelwazige stemmingen of in haar klaar-stralende lichtgloeiingen, onder de vier getijen, in alle buurten en wijken hebben aanschouwd, wij kunnen haar nooit van haar eenzamen gouwen-oorsprong losmaken. Wij hebben het verrukkelijk-mooie Amsterdam lief. Niet alleen om alles wat ze is, maar ook om alles wat ze was.
167