land van Aemstel, ,Woerden en Yselstein. Hij zag het gelaat van zijn broeder, Graaf Jan II, die Aemstelredamme liet verheffen tot poorte. Zulk een mensch doorleefde de somber-stormige tragiek der Gijsbrechts en hij zou, dwars door alle tijds-omkringingen heen, de tegenwoordige Bolsjewieken in de pratte vroedschap van Amsterdam, nu hun vermetele revolutionnaire eischen kunnen hooren stellen. Hij zag een schuchtere visschersbevolking, worstelend tegen watervloed en orkanen, opgroeien tot bestierende Heemraden van Amestelle. Hij zag draspoelen vol vermolmde waterwilgen veranderen in grazige landouwen. Hij zag kodden en donrebussen vervormen tot sabels en zwaar geschut. Hij zag een geweldige burgerij opkomen, een schatten-saamstapelenden groothandel ontstaan. Zulk een mensch alléén zou het innerlijke en uiterlijke Zijn, het ademen van de stad, met eigen innerlijk en en uiterlijk levensrythme hebben opgevangen en begrepen, alle eeuwen door. Want Michiel de Ruyter, den bestevaêr, aanschouwde hij in zijn vloot-heroïsme; Breêro, in zijn dichter-dartelheid en smart; Rembrandt, in zijn mystieke werkelijkheids-visioenen; Vondel, in zijn religieuze verheerlijkingen. En hij zag Vossius en Huidekoper, Hooft en Van Campen, Spinoza en Johan de Witt, Oldenbarnevelt en van Speyk: de dra
165