Deze mensch zou alle kleine en groote veranderingen van buurten, wijken, wegen en gebouwen zelf hebben aanschouwd. Voor zülke oogen zouden houten, geteerde huizengevels, in bak- en bergsteen en mozaïek, en de houten hameien tot gewelfpoorten zich omgetooverd hebben. Deze mensch zou de immanente werkingen van schep-pend-sociale krachten in hun gisting en ontwikkeling op wonderlijke wijze zich hebben zien openbaren onder alle klassen en standen, in organischen samenhang met al het omringende, het vergankelijke en het onvernietigbare. Zulk een wezen zou het schuw-angstige, het onderworpene van de eerste visschers en schippers hebben zien veranderen, van binnen uit, en hebben zien omgroeien tot een hoogeren vorm van sociale bewustheid. Hij zou de stijgende menschenmacht van dat schuchter-saamscholende zwoegvolkje, dat ootmoediglijk opstaarde naar transen en torens van kasteelen en ridderburchten, in latere geslachten hebben zien opgolven tot een bruisend bestaansgeweld. Hij zou de afstammelingen van benarde gezellen, het schuwe ״varentvolck", tot den rang van stoute zeezeilers, en nietige nego-cianten tot koene, avontuurlijke ondernemers hebben zien opklimmen. Zulk een mensch zag immers het aangezicht van krijger Gwy van Hene-gouwe, den „lieven, genadigen Heere" van het
164