verrijzen uit de lage Amstellandsche venen en malsch-groene weiden; en als wij dan aannemen, dat dit menschelijk wezen de gedweeë en zwalkende visschers armelijk had zien zwoegen in hun drassige poelen en rietbosschen, of primitief in hun schuiten, hulken en koggen zag uitvaren ter vangst op blanken brasem en bot, paling en baars, goudschubbige karpers en snoek; en ze weer kon zien terugdobberen, hijgend onder het uitzwaaien hunner steenen ankeren of zien wegkruipen achter de schutse hunner lage kronkel-dijken, waar zij in hun doodsobere kleihutjes met de afblaasbare rieten dakjes, aten, dronken, Onzen Lieven Heer toespraken en sliepen; als hij dit alles had gezien en beleefd op de eenzame, naargeestige plek van 's Heeren Aemstel's gebied en wij blijven ons voorstellen, dat deze mensch met zijn oerkrachtigen boom-ouderdom, geleidelijk alle groeiprocessen en vervormingen, — na de legging van den eersten Damme, — van vlek tot dorp, van dorp tot poorte, en eindelijk van stad tot Europeesche handelshaven, — en dus ook alle maatschappelijke stijgingen der telkens in het niet verzinkende geslachten, — had meegemaakt, dan zou eerst zulk een wezen van Methusalemschen levensduur, allicht van het innerlijke mysterie eener stadswording iets zijn onthuld.
163