VIII
Als het donker valt verandert alles aan het Ye, aan Buitenkant en Waal. Dan zinken de stadstorens en spitsen in een mistig violet verschiet.
De zon gloeit laag aan de kim en over heel het Ye drijven op de golven glansplekken lijk scherven van een ontzachlijken, stukgeslagen paarlmoeren hemelspiegel.
Het licht begint ongeveinsdelijk te duisteren achter het zware mastenbosch. Kleuren van al-derlei vanen, wimpels en vlaggen vlammen dieper, dreigender tegen de schemerlucht in en lange schaduwen kruipen over verre, somber-hooge pakhuizen.
Er doemen van het noordoosten wolken op, als zeekasteelen in goud en vuur, met kruislings-uitgespannen zeilen van trillend violet. Achter de paalrijen van het Ye zinkt een dolende avondgloed uit die heel het gewemel van boeiers, lichters, smalschepen, kagen en zilverige steigerschuiten tusschen de gordingen grijpt en een goudpaars floers hangt onder hellende masten, boven dansende kielen, over hooge campagne en langs gapende geschutspoorten.
Bronsdonkere zeilen en tuigage van schepen, middenstrooms geankerd, vangen spookachtig-wild licht dat flanken, wappervlaggen en verschansingen angstig vergroot. De wind steekt op..
158