looze koggeschip naar alle hemelstreken, onder grillige wind-manoeuvres. We zien zeil achter zeil, vercierden boeg boven boeg met de gevierde kleinzeiltjes wiegelen en zelfs de schepen met dreigende stukken en vele koppen, schommelen zachtkens als in een onmetelijke tobbe. Het is zoo wonderlijk-veilig aan het zonnige morgen-Y, al staan er geen wachters op de stengen of in duizel-hooge ra-nok op den uitkijk, en al worden er brandzwabbers in de marskorven geheschen. Want de zeeheld, Michiel, verpoost een wijle in zijn gezin, op den Buitenkant van het
Waalseiland---- Hij kijkt kalm op ״De Laag",
naar het flapperen van vlaggen in de bramsteng van zijn zee-kasteel en naar den bak vóór den grooten mast, waar maats en dekvolk huizen. Hij kijkt naar al de blauwe, roode, witte vlaggen op galjoenen, boegsprieten en kruisstengen, en naar het stijgen en dalen der zeilen. Hij deint op zijn stoel. Is hij in zijn kamer of staat hij voor den valreep? Ruikt hij de geteerde wanden van ״De Zeven Provinciën" of ademt hij de lucht in van
zijn eigen handen?____De gaffel ligt beweegloos.
Ziet hij zichzelf nog in den kluiver klauteren, als
scheepsjongen; den kluiver____het hoogste punt
in het want?____ Ziet hij zich nog als konstabel te land?
157