ontploffende donderbussen naast en onder hen ontvlamden en zwaren kruitwalm uitwolkten over heel de zee? Ge ziet midscheeps het vechtvolk tusschen katrollen en geteerde touwen opgehoopt en de schommelende lantaarns der marskorven. Ge hoort het roer pal onder den Spiegel, kraken en kreunen. Ge ziet plots weer maats en scheepsvolk naar den boegspriet dringen en ook daaronder bulderen de kanonnen, dat de cariatiden, — vercieringsfiguren die mast en takelwerk torsen, — er van sidderen____ Ge ziet brassen en
de ra plots omdraaien; fokkeschooten en grootzeil aanhalen. Ge hoort gevierde marszeilen omlaag ruischen. Ge ziet stoute matrozen, — topgasten
ahooi! —----op den uitkijker van middenmast,
vlak onder het klepperen van de Admiraalsvlag. En de stemmen klinken: Duinkerksche uilen in
zicht! Zeilen van de boeg!____ Ze wijken alleen
voor het wondende of doodelijke schot____
Het is zoo zonnig, zoo hel-vroolijk, zoo geurig aan het doorschijnende Y, binnen en buiten de paalgordingen. In den zomerochtend huilt de Schreierstoren niet. Zijn ommegang en gekanteel-de borstwering lachen in het lichtgloeien en zijn voet staat met schuim bespat van het woelige
Y-water____ En lustig in de bries, zwenkt en
keert, op den top van het gevaarte, het stuur-
156