damp en verderf-brengende branders en over-boord-stortende kermende schepelingen; dat ge niet meer hoort het suizend houwen der enterbijlen en het schurend stooten der enterdreggen.
Het rijk-gebeeldhouwde kasteel ״De Zeven Provinciën" draagt het wapen met de overeind-zit-tende leeuwen in een krullig-opgetaste allegorie, trots in den Spiegel. En hoog boven de galerij pralen de drie goud-gekapte achtersteven-Ian-teerns cierlijk, en van alle kanten dreigen de kanonnen uit de geschutspoorten, zelfs onder de tienruitsche kajuit, omlijst met een wemeling van uitgesneden zinnebeeldige figuren. Tusschen de goud-gekapte lanteerns brullen hoog-bovenboords, hurkende leeuwen en het toppenant, het ra-touw, bekriebelt hun platte neuzen.
Het Y ligt zoo zielsvergenoegd door dampig goud van den zomermorgen overstraald.
Zijn van deze hoog-opgehaalde pronk-achter-kasteelen, met het roodgeel, ivoorkleurig snijwerk, de vreeselijke brandkogels uitgeworpen die vuur vraten en vlammen de vijandelijke liniën
inschoten?____Stonden hier, achter de beschutte
scheepsschansen en gewelfde borstweringen, tusschen mast, wantladders en stag, tusschen kabels en kettingen, kanonniers en musketiers met hun dreigend geklikklak van knetterende snaphanen, hun zware lont- en vuurslag-geweren, terwijl de
155