tegen Generaal Monk en Ayscue, in dat ontzettende gevecht, op zijn hooge campagne, en ge hoort opnieuw het kletsende geklepper van vanen en puntige pennoenen, boven de wimpelspits van den middenmast, dolwoest, als een uitdaging.
Onder en op het scheepsdek hoort ge de los-bulderende vuurmonden uit de vier batterijen, het schuttuig, als kanon-kraters die spuwen. Ge ziet de getakte bliksemvlam, ijselijk blauw, van het ontploffend buskruit er doorheen.
Er drijven wolken van vuur en kruitdamp om de kartouwen, helledraken die suizend gillen en gieren en onweeren over stuivende golven, tus-schen schuddende hemelen en een stampende zee.
Het is maar even een visioen, dat het heerlijke Y oproept. Want vóór de ree van het Y dobberen zachtkens brikken en fregatten en de oorlogsschepen waarvan ge nu, op voor- en achtersteven, in het z.g. ״kasteel" de schietgaten en de „kokers" tellen kunt. Duizenden masten, met dwarse en rechte stengen, en ra's en rompen, galjoenen en boegsprieten, teekenen op de zonnelucht, ijle, fijne lijnen af.
Ge ziet het Admiraalsschip „De Zeven Provinciën" met zijn geweldig achterkasteel zoo kalm nu wiegelen, dat ge niet meer denkt aan kruit-
154