naar de stad, barsch, dreigt. In de koperige herfstlucht, droef en streng, waaien de prinsenvlaggen; oreange, blanche ende bleu 1). °P kruisbarken en fregatten, fluitschepen, pinassen en galjoten. Scheepstrompetten zingen zacht, van verre, droef, droef in het late herfstuur, met den woest-jagen-den wolkenhemel. Er waait een stijve koelte. Ziet ge niet opdoemen plots, grimmelend, galgen en raderen, onder het ziekelijk grauwen der luchten, op die afgrijselijke plek waar later het ״Tolhuis" verrees; de plek waar zooveel Wederdoopers, geradbraakt, terecht werden gesteld en gehangen? Ook het gezicht op de Lastage, naar Oude Schans en Gelderschekaai, is herfstig-grauw en doodsomber. Van de roesttintige scheepstimmerwerven davert jachtig gehamer en klinkt hol-zangerig, klank van ijzer op ijzer.... De schepen, met vreemde geraamten, staan hier opgetrokken en onttakeld, in spookachtige lijnen en vormen, en ook de groote kraan die de masten instoot, richt zich ontzet tegen den somberen herfsthemel op.
VII
Andere stemming.
Het Y in den zonnemorgen van een jongen zomerdag. Overal schommelend gewemel van
*) Eerst na i6$2 werd de Hollandsche vlag rood-wit-blauw op de schepen.
152