het vaderland redden uit de dwingelandij van een koning" enz.
IV
Oud-Amsterdam leeft ganschelijk bij Bredero, bij Vondel en bij Rembrandt. Maar het leeft ook door zichzelf, door heel zijn geweldige cultuurgeschiedenis. Het lééft door zijn grootsche figuren, door zijn water, zijn vesten, door zijn natuur, zijn oorlogen. Het was geheel eigen, oudAmsterdam, om de Heemraden zoo goed als om de slootwilgen; om zijn gildenpraal en schutters-drinkgelagen. Geheel eigen, om schouten en schepenen; om Collegiën van Admiraliteiten; om poortmeesters en vestmeesters, broederschappen en gilden. Het was groot om zijn Jacob van Heemskerk, — wiens ziel „de wech coos der starren", — en om andere stoute zeevaarders zoo goed als om zijn Willem Eggert, Heer van Purperend, om zijn staatslieden, zijn langdurige Spaansche overheer-sching en om godsdiensttwisten, als om typische vastelavonden en andere volksvermaken 1)-
Er is een atmospheer om menschen en dingen van het oude Amsterdam, die tintelt als een tooverij, uit gouden mist van den Amstel, uit
*) Hulzinga zegt, pag. 99 van zijn „Tien Studiën": „Elk Nederlandsch kind krijgt zijn vroegste historische noties uit de zeventiende eeuw. Onze bloeitijd schaft het ochtendvoer voor zijn gragen geest. Zijn zin voor het verleden groeit aan Prins Willem en Jan de Witt, aan De Ruyter en Tromp".
148