genaar hebben juist de traditie verwaarloosd en zijn door onvoldoend topografisch onderzoek, tot averechtsche voorstellingen gekomen.
Best mogelijk! Vondel in zijn ״Gijsbrecht" fantaseerde veel onverstaanbaarder als geschiedschrijver; schoof ons het zestiende-eeuwsch Amsterdam voor, terwijl de dertiende-eeuwsche veste leven moest worden ingeblazen. Toch deed hij als visioenair dichter, als scheppend kunstenaar zijn „debvoir".
Jan Ter Gouw's visie op Ye en Amstelle, op Oud-Amsterdam, was grandioos en zijn geduld om de stad te onderzoeken en de archieven te doorsnuffelen, fabelachtig. Oud-Amsterdam blijft in alles wondermooi, ondanks dampigheid, moeras-modder en moderne kraaienknip. Mooi aan den „Monckelbaanstoren", mooi aan den „burch-wal op 't Ye"; mooi aan Ruyterkade en oude Houthaven.... Amsterdam blijft wondermooi, van het heele begin af, ten tijde van Heer Egbert, d' oudste van Aemstelle, vader des eersten Gijs-brechts; van het „stedeke" Amstelredam met zijn zwiepend-houten of drijvende brugjens; van het
Warmoesstraat, ten zuiden van de Oude Kerk, de eerste bewoonde wijk van Amsterdam zou hebben uitgemaakt. In „Gijs-brecht's Amstelstad" verdedigt hij Vondel's dichterlijke „reconstructie" (de „gouden vryheyt der edele poëzye"). Vondel heeft de „traditie", naar 't Hooft, zuiverder bewaard, dan „nuchtere" archiefneuzen gelijk Ter Gouw en Wagenaar. Ook Prof. Fruin moet bij 't Hooft het loodje leggen.
146