nigen. Hij kende de Amsterdamsche oudheid van de twaalfde eeuw af: het grootsche ontwikkelingstijdperk en den Spaanschen tijd. Helaas----״den
Gouden Tijd" gaf hij ons niet, althans niet als een aaneengesloten geheel zijner ״Geschiedenis van Amsterdam". Mr. N. de Roever schreef in zijn ״Uit onze oude Amstelstad":
״Niemand heeft met grooter kennis van zaken, noch met meer geest en oordeel over de namen van de Amsterdamsche straten, stegen en grachten geschreven dan de heer Jan ter Gouw in zijn ״Amsterdamsche straatnamen", dat tusschen 1858 en 1874 drie drukken beleefde. De oogen-schijnlijk dorre materie heeft de schrijver weten te verwerken op zoodanige wijs, dat niemand het boekje met zijn teekenachtigen omslag, onvoldaan ter zijde legt".
Juist! Ter Gouw is een onvergelijkelijk, fijn-speurend Amsterdammer geweest; de Wagenaar der 19de eeuw, gelijk Kouwenaar hem noemt. Heeft hij als historicus en stadsbeschrijver soms schromelijke flaters gemaakt en onjuistheden begaan? (Zie Dr. de Boer over Jan ter Gouw, in zijn cultuurgeschiedkundige monographieën). C. G. 't Hooft neemt hem telkens te grazen als Amsterdamsch historicus 1)- Ter Gouw en Wa-
1) In ״Het ontstaan van Amsterdam" en ״Gijsbrecht's Amstelstad", beide van C. G. 't Hooft, bestrijdt deze conservator Ter Gouw's gangbare theorie, dat een visschersbuurt aan de
145
Zwerftochten 10