markt was! — raakt zoek in Amsterdam. .Wie hoort nog het wild geraas der vernieloorlogen tusschen Hoeksche en Kabeljauwsche schepselen, waarin adel en burgerij een vreeselijken klassenstrijd streden? Wie leeft nog in den tijd der Geldersche Oorlogen, romantisch-woest, onder Hertog Karei van Egmond's plunderende roof-benden, tegen Amsterdam gevoerd? Wie denkt nog om het groen van Warmoesgracht? Wie ruikt nog tonnetjes-pek uit de Teertuinen? Wie ziet nog de oude steigerschuiten uit den tijd van het oorlogsschip ״De Olifant"? Wie verlangt nog naar den avondschemer om Regulierspoort en het zangerig kettinggerammel van haar valbrug? Wie tuurt nog over den eersten kareelsteenen veste-muur met zijn torens en rondeelen, en door de
oude binnenpoorten?----
Oud-Amsterdam verbrokkelt angstig. Spreek maar niet meer over ingediepte spitsboognissen; over laat-Gothischen of laat-Romaanschen stijl van kerken hier en daar. Spreek maar niet meer over gave of geschonden blindbooggevels of resten van gekoppelde pilasters, van Henrick de Keyser's stoere Amsterdamsche koopmanshuizen;----er is nog alles---- en er is niets meer!
En toch, — bij den naar visch-riekenden St. Pieter, — ik heb Amsterdam lief als geen stad ter wereld. Het oude Amsterdam verdwijnt en iederen mor-
142