96 STUDIËN
ons te doen gevoelen wat het voor wezens zijn, die Louise met haar dwazen man en kinderen.
Ook Peter Waals, de man van de, door melancholie en woede-buien geteisterde Lot is prachtig verinnelijkt in zijn onderworpenheid, ten slotte opstandigheid en eindelijk weer nieuwe onderwerping. Daar is alles menschelijks aan. Hij is zoo stilletjes en vroompjes door het leven gaand; hij heeft zoo alle, schubbig-schitterende pronk en luxe van zich afgespat; hij is zoo waar in zijn liefde-gehunker, in zijn plooien en weerom-plooien van dit vrouwelijk-halstarrig, hevig geprikkeld gemoed, dat ge hem vóór u ziet en niet meer vergeet. De kinderen, — van Jopie, 't lieve wichtje van De Brière, tot Berry, Amelietje, Tom, Jet en hoe ze verder heeten mogen toe, — zijn als levende creatuurtjes in dit boek gebracht. Een kleurig en golvend brok leven. Amelietje in haar bakvisschen-droomerijtjes, Jet in haar schalksche vrijpostigheid, zelfs de kleine Jopie in haar onbewust-verliefdheidje op Berry, Berry zélf in zijn kwajongens-natuur en dubbel - leven: naar buiten brutaal, naar binnen timide, het is één groep van kleuterig bestaan, zoo heerlijk levendig en zuiver gebeeld, zooals ik het nog nimmer gelezen heb. Ze staan er frisch en hel in het leven als bloemen, gedoopt in morgenkoel zomerlicht.
De bouw van den roman is zeer hecht. Ik