MOEDER 307
te hebben weergegeven en door taal in onze ziel overgebracht, als zij deze zelf heeft gevoeld. Voor den scheppenden kunstenaar is gevoels-över-brenging even noodzakelijk als gevoels-ontroering. Het ondergaan is niet voldoende. De lezers moeten méé-ondergaan.
Vooral in de beschrijvende stijldeelen is dit gebrek sterk in het werk van mevrouw Van Gogh, doet ze inderdaad zonderlinge dingen. Soms bijna zoo erg mooidoenerig en taal-valsch als bij Robbers. Zonder vrees schrijft ze: ״Over de borst, die even welfde in teere maagdelijkheid, was 't lijfje strak neergetrokken en uit de wat lage japon-rand bloeide 't blanke halsje als 'n brooze bloemstengel, half verborgen onder den gouden haarval."
Daar leeft wel ontroerings-gevoel in, maar er is, onbewust mooimakerig, gezocht naar — in dit verband — onmoog'lijke vergelijkingsequivalenten, in onstuimige eigenzinnigheid grijpend naar beeldend woordmateriaal, niet uit de ontroering zelve geboren. Zulke zwakke dingen zijn geen zeldzaamheid in dit werk.
Overal waar dialoog en actie gegeven wordt, komt er veel strakker zuiverheid in den stijl. Soms is er een gevoels-zwaarte in de aandringende perioden die verbaast; een hymne-achtige drang naar verheerlijking van het moeder-sentiment, koraalachtig van klank en rhythmus. Helaas, zeer, zéér zeldzaam voorkomend.