MOEDER 303
kinderen is afhankelijk van den gang der pensionzaken. Zij, die nooit een dergelijke maatschappelijke bekrimping en onderwerping had gekend, moet nu zich bukken, dulden, smoren en de gedienstige spelen. Dubbel overvalt haar de vereenzaming tusschen het geraas van het groote verhuurhuis. Haar man dood, haar kinderen, voor wie zij alles doet en wil doen, dagen van haar af en weg, wijl ze geen kwartier vrij heeft, moet zorgen voor de keuken, voor de kamers, voor klachten, protesten en voor den goeden gang van ieder ding.
Ze zwoegt als een slavin in dat groote pension, en telkens in vertwijfelenden angst dat lui weg zullen gaan, omdat het hun niet naar den zin is, en zij dan niet verdient wat ze moét opbrengen voor de kinderen. En dat alles nog verergerd door het bewustzijn dat ze niet meer kan leven met, alleen zwoegen vóór de kinderen. Dat foltert haar 't meest, haar, die harmonie, inleving van eikaars gevoel en denken, tusschen ouders en kroost, zoo'n hoog geluk gevonden had. De bedilzucht der huurders, de last, vermoeiing en hevige zorgelijkheid zouden op zich zelve, hoe uitputtend ook, haar levensgevoel nog niet vernield hebben, maar het feit dat ze van 't innerlijke leven van haar kinderen gescheiden werd, dat brak haar hart. Ze ademden tusschen vreemden, menschen die zij niet kende en die haar niet kenden.