302 STUDIËN
Het gegeven lijkt zoo simpel. Een jonge vrouw wordt door het lot getroffen. Haar man zakt door het ijs, wordt dood thuis gebracht. Ze hadden een rustig leven altijd saam gehad. Hun drie kinderen waren hun een zegening. Zij was altijd een eenigszins stille, teruggetrokken natuur geweest. Haar hoogste geluks-verlangen bestond voor haar in een leven van overgave aan de kinderen, 't Mooiste vond zij: harmonisch saamleven tusschen ouders en kinderen. Nu komt er, door den dood van haar man, groote, smartelijke verandering in haar leven. Met familiegeld gaat zij een groot pension beginnen. Ze wil zwoegen voor de kinderen om hen te laten leeren en goed groot te kunnen brengen. Ze wil haar eigen leed weggraven, heel diep naar onder, als de kinderen maar gelukkig zijn. Haar pension krijgt ze vol menschen. Haar eigen begeerte naar literatuur en muziek dringt ze weg uit haar leven. Heel haar geestelijken drang naar meeleven met kunst zal ze smoren in werk, werk voor de kinderen. Op on-menschelijke wijze wordt ze overrompeld door de pensions-werkzaamheden en gemarteld door een zorgelijke verantwoording voor alles. Ze heeft met honderden menschegrillen van balsturige en lastige huurders rekening te houden, zich er naar te voegen, in te binden. Ze heeft bevelen te gehoorzamen en zelfs groote vernederingen te verduren. Want de verzorging van haar