MOEDER 293
krankenbezoeker en van een vorstin, in gelijkgestemde objectieve indringings-kracht. Inderdaad de eigenschap van Shakespeare, den dramaturg. Ook Zola is nu en dan een groot, dramatisch genie, veel grooter dan de pompeuse, voor het tooneel drama's leverende Victor Hugo. Nooit zijn tragischer en geweldiger de aandriften der menschen aangevoeld dan door Balzac en Zola en nooit is aanhoudender het diep-dramatisch gevoel in eenerlei kunstuiting werkzaam geweest. Om een haverklap wordt bij de beoordeelingen van beteekenisvolle romanscheppingen gesproken van: ontzaglijke dramatische créatie; groot van dramatische werking; groot-dramatisch van beelding; het staat lévend vóór je. . . . enz.
Daar zetten de beoordeelaars geen preutschen mond bij. Het staat er kloek en onverdekt. Zoo wordt het klaar als pegels, dat de roman even groot het essentieele drama baart en geeft, als het drama-voor-de-planken; soms zelfs nog veel ontzaglijker en magistraler; 't zij gezegd zonder uittartenden drang naar kibbelende platheden van polemische haantjes-de-voorste. In een psychologisch-lyrische en ook literair-analytische karakteristiek, een ontwortelings-studie over Shakespeare-Goethe, nog dit iaar verschijnend, heb ik laten uitkomen, dat de geweldige Shakespeare eigenlijk nooit aan het ״tooneel" gedacht heeft bij zijn scheppingen, en mede verklaard, waarom