MOEDER 289
zwierder door de klare lucht en in de zoete avonden van verre landen?
Zoo versta ik het eenzame peinzen over groote vraagstukken van leven en kunst, als ge moe geworden zijt van veel klanklooze woorden en dof getheoretiseer.
Er zou over het wezen van het drama in den modernen roman een groot werk te schrijven zijn, dat eerst wel vlijmende tuchtiging en ontworteling zou lijken, maar aan de meeste for-mulen en kunstbeginselen nieuw leven vermocht te geven. Ik heb het oog op een werk, dat niet moet dienen voor handleidings-wijsheid, dat niet zich beperkt tot aesthetische dialectiek of critisch-historische karakteristiek. Het moet vóór alles een boek zijn van levend, schitterend proza, innerlijk schitterend door rijkdom van beeld, klank, rhythmus en zangstroom. Het moet een werk zijn van groot proza en alles in zich hebben. Schoon als een gouden herfstdag die rood uitbloedt naar den avond; tomaat-rooden avond, in laatzonnigen herfstdauw.
Ik heb altijd gevochten tegen specialiseering van onderwerpen in kunst-critiek, kunst-wijsbegeerte en kunst-geschiedenis. Levende kunst-critiek en kunst-historie en kunst-theorisme is
Studiën. 19