288 STUDIËN
deze stugge theoristen hebben het graveel aan iets dat leeft en klinkt en de stilte der studiekamer in schuimende roering en gisting brengt.
Maar niet alle omwentelaars stormen los met rumoer, en scheuren kettingen uit de schakels. Bij ontij leeft er wel eens een peinzer, die, als een ingesponnen zijderups, zich voor een poos van de hoor- en zichtbare zinnenwereld afzondert, en toch in stilte en duisternis arbeidt aan iets schoons. Zoo op 't oog lijkt zoo'n denker in zijn cocon een onhoffelijk en luttel creatuurtje, dat al zeer weinig staat kan voeren met zijn weggeborgen gedachten-bedrijf.
Hoe grauw en kleurloos zit hij daar gedoken in zijn coconweefsel; hoe slijmerig en sjofeltjes staart dat ding ons aan.
Maar het verpoppingsproces, het stille wisselen der diepe kleuren, en het gebatikte licht-figuur op de fijne vleugels ingevouwen, ziet nog niemand. Hij weeft in de donkerte zijner beschermde afzondering. Plots, na een geheel verinnerlijkt bestaan, valt op zekeren dag het grauwe inspinsel van zijn verborgen arbeid weg, en in plaats van een zwaar gebrild en geleerd schepsel der grauwe theorie, wiekt en fladdert boven ons hoofd een wonder-rank wezen, in één vlucht van goud en azuren kleuren. Zijt ge niet belust op de tochten van dezen gevlamden