MOEDER 287
theorie. Daarom kan ook een ontworteling van dood-theoretische beginselen, afgekoppelde handleidings-wijsheid en zoo meer, een felle tuchtiging schijnen, inderdaad een braaf en door en door gemoedelijk werk zijn. — De formuleerende theoristen hebben onder malkatider vuurteekens als wijlen de astrologen. Twee zwellingen in hun, voor doceeren in snit geknipte pandjassen wijzen op de leergierige aanwezigheid van pocket-dictionary's. Ze hebben, familiaar uitgedrukt, iedere ziel in hun vestzakje. Alleen den ontwortelenden belhamel schuwen zij als een kraai een wentelende molenwiek. Hun for-mulen zijn versteende antiquiteiten, ingemoerd op traditie en sleur. Zij kunnen er koelbloedig-lijk een knus spelletje tric-trac bij doen. Ze weten precies wat het drama is, wat didactiek, epos, lyriek, plastiek; het verschil tusschen novelle, verhaal, roman, schets; ze kennen het afgeperkt onderscheid tusschen een zeden-, een strekkings-, een socialen, en een psychologischen roman. Als de belhamel nu maar niet met een onschuwe en schennende hand de gespecialiseerde stof dooreen rommelt en dikmaals, als een spotzieke uitdager voorop, gevolgd wordt door een rijtje, gelijk eendjes die een blinkend spoor zwemmen in het dof-groene kroos hunner knusse slootjes, plots schei-gemeenzaam beginnen te kwakelen en te schateren dat het een aard heeft. — Want