VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 281
kousen-rhetoriek uit den mond van.... Van Deyssel. Van Deyssel's ironie openbaart zich ook wel eens in stukken met de vlakste, onkreukbaarste, gelijkmatigste physionomie, van:.... heelemaal-zoo-gemeend-hoor! Alevel een rarig-heidje! Ridder Boudewijn, met een oud-Holland-sche trekmuts op den ernstigen kop,.... la vérite demande un peu de sel! Zoo'n oom Kool, neen,.... dan liever den springstok zes meter hoog! Het in aphorismen en korte aanteekeningen geschreven opstel over Goethe zal wel veel ergernis en weerspraak uitlokken. Mij gaf de lezing vaak veel genot. In mijn studie over Goethe, een jaar geleden in Groot-Nederland gepubliceerd, heb ik geheel gelijksoortige meeningen over Goethe's genie uitgesproken. Ik vind een dergelijke, met zuivere gevoelens gegeven oordeels-onafhankelijkheid heerlijk. Ook in dit stuk blijkt weer de ontzaglijke subjectiviteit van Van Deyssel's critiek, soms zoo uiterst, dat we niet meer het oordeel, maar alleen den critiseerenden persoon bezien. In ,,Het leven van Dickens," bespreekt John Forster, de nijd- en afgunstcritiek waar Dickens door zijn enorm succes vaak slachtoffer van was. „Indien de eigenschap van iemands genie heel de wereld in de oogen schittert, staan er altijd tallooze bolleboozen op, om de beteekenis van zijn werk te verkleinen, den glans om hem heen uit te dooven. Ze merken dan op dat alles bijeen-