VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 279
van zijn bronnen en bronnen-studie. Wat het sterkst treft in deze kunst-beschouwingen, is de ontzaglijke subjectiviteit van het oordeel en de half-naïeve, half-overmoedige durf waarmee hij zijn meeningen voor den dag brengt. Vroeger zaagt ge het orkanische zandstuiven van zijn renpaard in het tournooi; en achter dien gouden zandmist zijn strijdende en rond-houweelende figuur. Vroeger zaagt ge het schitter-wit van zijn wuivenden ridder-pluimhoed; hoordet ge de taal van den stoutmoedigen uitdager, vagebond en kamper. Nu ruikt ge de lamp, en ziet ge het studiegezicht doorkorven van zware peinsgroeven. Tus-schen de rimpels straalt de verstilde gedachte-baan, een wonderlijk licht uit. Hoor hem over Canova. Afgezien van de artistieke keuring, . . . met welk een fijnen geest brengt hij de graden van zijn bewondering aan. Hoe splitst en splijt hij zijn eigen gewaarwordingen en hoe teer-doordacht verklaart hij zijn schoonheids-indrukken. En rustig alweer, causeerend-gezellig, bezingt hij na den terugkeer uit Venetië, zijn Holland. ״En dit land was het dus, het land van déze stede en stadjes — kleine, stille stadjes met de oude stadhuizen en de schoone, heldere, blauwig-grijze, breede keien-banen tusschen de bruin-en-paarsche smalle klinkerbanen, — het land van déze steden en stadjes, dorpen en heiden en weiden, bosschen en tuinen en luchten en waters