278 STUDIËN
tië," uit den bundel gelezen te hebben. Beschrijvingen van Venetië in dag-indrukken verdeeld. Het is ethnologie, kunst-, plaats- en reisbeschrijving. Ach, ach, waar is de gestalte van den jongen Ridder Boudewijn—Van Deyssel? Waar klinkt en harrewart zijn wapengekletter, waar blinkt en flikkert zijn schild en rusting, waar scharre-maait zijn lans? De fiere edeling, door zijn gouden herauten van eertijds het krijt ingezongen? Ge herkent nauw de stem. Het is heel knus geschreven; knusjes-causeerend, kabbelig-keuvelend en uiterst gezellig. Soms plots even scherp uitschietend, fel, bijtend; dan weer ingetoomd en hoogelijk rustig-zachtaardig! Ik kan het niet helpen: als ik Van Deyssel zoo vrijmoedig-critisch hoor keuren, alderlei oude kunst, muziek, architectuur, mozaiëk, dan krijg ik een jeukerig plezierigheidsgevoel over me. Ik denk dan: hoe parmantig, strak-stellig gezeid,.... en toch is dit alles niet meer dan een fijnkleurig meenings-mozaïek van een dilettant, die zich, in de meer absolute en naar diepste wezen duikende waarde-bepaling van alderlei soort kunstwerken, vaak allersmakelijkst en allerzwaarst zal kunnen vergissen.
En toch, hoe onkleinmoedig, bijna leerstellig wil hij ons onderrichten; hoe gul oordeelt en vonnist hij met virtuoos gemak op bijna doctoraal docenterigen toon, ons zoo sluwtjes-snel en schijnbaar nonchalant inzicht gevend, in de diepte