VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 277
nietigend woord, een bijéénblijven, en meer dan ooit dienen wij juist nü te spreken van onze vaste, diepe, door niets en niemand om te stooten eerbied en bewondering voor den zéér grooten levens-syntheticus Zola. Wij zetten geen metalen orgelkelen uit; we drijven niet een hevig-jubelenden windstroom door het zingende gevaarte van het pijpwerk, eens door Van Deyssel zelf, in geestdrift voor Zola gebouwd,.... we zeggen slechts: léés hem en lééf hem. Wij kunnen dat voeglijk doen, wijl Van Deyssel voor ons, even groot blijft als voorheen. Ook Van Deyssel hebben we geëerd van onze eerste ademing, als zelfstandig voelend kunstenaar. Wij blijven het doen, even innig en hartstochtelijk als vroeger. Ook deze elfde bundel geeft veel schoons, tusschen middelmatige en zwakkere dingen. Maar bij ieder product afzonderlijk staat in onze bezinning toch altijd de heele figuur Van Deyssel, in zijn schitterende pracht van klèur, woord en rhythmus en in zijn geheele grootheid,.... als ragfijn ontleder, denker, mysticus, als brandend colorist en als koel, vormvast bouwer van scherpfijne gevoels-begrippen, toegegroeid naar het psychologisch- en smette-loos-cerebrale. Opmerkelijke macht in een der zuiverste voelers dezer eeuw. Nu iets meer over den bundel-zelf.
Een eigenaardige gewaarwording ondervond ik, na het eerste, vrij omvangrijke stuk over ״Vene-