VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 275
arbeid. Dat dreunende wereld-rhythmus, hoort, hoort toch een ieder! Hoe gaf hij de zwoele broeiing, den damp, 't odeurgiftige, welig-verleidende van het monsterlijk-mooie Parijs, Parijs met zijn wereldsch mysterie en zijn helsche verdorvenheid. Hoe geweldig gaf hij het dringende, saamproppende, verdoemende, het genotzuchtige en zwakker bestaan vertrappende roesleven van deze wereldstad met haar gonzing van millioenen! — Hoe gaf hij bevend en sidderend den trillenden groei en gang van duizenden daar, met een scheppingskoorts zooals voor hem nooit, nooit was gebeeld! Neen, neen, we willen zijn smaad, zijn vernedering niet zien, zijn kunst niet aanvaarden als een ,,inferieure," grofsoortige. Omdat het niet waar, omdat het brandende leugen is! — Wij bazuinen zijn grootheid niet boven alles uit. Wij slaan geen orgelmond open die met duizend pijpen, in één ontstrooming van zangen, alle tegelijk zijn lof zingen. — Hij heeft felle, groote gebreken, zijn laatste boeken zijn leelijk en systeemig versteend. Maar het grootsche had hij al gegeven, voor alle tijden! De kolos van La
Terre is onsterfelijk____, hier gezegd met stroeve
wering van iederen declamatorischen stemme-galm. — De sombere, de stil-werkende, de onstuimig-uitschietende plasticus heeft zijn roem voor eeuwen.
Zie, Van Deyssel hebben wij te eeren als een