274 STUDIËN
Moet ik in herinnering brengen, wat zij voor ons waren, deze gele, naar het innerlijk felle, monumentale boeken van den geweldigen worstelaar met een menschheids-materie? Moet ik nü nog zeggen hoe de architectuur, de omspanning, de bouw van zijn massale gewrochten ons deed opstaren als naar een berg, een rotstempel, een hevig-donker zwevend gevaarte, boven den angstigen schemer onzer geblufte oogen? Hoe die boeken ons schokten, sloegen, deden krimpen, snikken, ontzetten, rillen en droomen? Heeft Zola ons niet ondergedompeld in zijn kolenzwart-gloeiende, flikkerende, en duister-roodbrandende atmospheer van hartstochten-tragiek, als in Germinal, La Terre, L' Oeuvre?....
Hoe heeft hij het zedenbederf gegrepen, en de volksreligie doorgromd met de donkere melodieën van zijn beklemmende perioden. O! er is veel door hem gekrenkt en geschonden, veel van het fijnste en teederste dat hij met zijn zware knuisten, om metalen te beuken, niet zag, niet begreep. Hij schond, onbewust, veel met woord en voorstelling. Maar ook, wat een zware mensche-lijkheid in zijn scheppingen, wat een hijging, een drang, een durf, een knarsende kracht en een immens saamvatten van personen, groepen en ruimte-leven! — Met welke duivelsche en grandioze machten stuwde hij in een brandende vaart, de golven van het druischende leven door zijn