VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 273
zwaai, symbolisten en middeneeuwen-voelers, Zola wordt de tronie gehavend met koel-rustig afgemikte steenworpen. Ge kunt jubelen neo-romantici en ,,geestelijke" zwelgers. Er was een tijd dat Alph. Diepenbrock met al zijn in-wendig-doorschroeiden haat, losbarstte tegen de gele boeken van den Franschen meester; dat hij met al zijn fanatieke geloofs-hevigheid en zijn soms troebele lyriek, Van Deyssel overschuimde met weerzin en afschuw. Wij konden mée-jubelen in hevige ontroering met de meest sublieme katholieke kunst; deze koortsige hater van het materialisme en de vergrovingen van een pantheïstische wereldbeschouwing vermocht dat nimmer tegenover het dichtend realisme van een Zola. Er was een tijd dat hij Van Deyssel toesprak en van zijn haat gewaagde in apologetischen zin. Alles overbodig. Van Deyssel staat nu, over Zola oordeelende, naast hem, koeler, scherper, ongenaakbaarder en wreeder wordend dan Diepen-brock-zèlf, in den brand van zijn haat. Van Deyssel is een groot en ook een zeer eerlijk schrijver. Hij méént wat hij zegt, diep en wankelloos. Toenmaals smakte hij Homerus, Shakespeare, Goethe omver, voor Zola. Drie reuzen met een gewicht van eeuwen-zwaarte. Nu heeft Zola wel „eenige" verdiensten. Wij hebben Zola nooit op het allerhoogste plan geplaatst. Maar ook ons was hij altijd een reus, en is dit gebleven tot op dezen dag.
Studiën. 18