VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 271
graphie," terwijl de heerlijkste werkingen der scheppende en meest smettelooze Verbeelding van een ״realist" weer zullen worden geloochend of genegeerd? Alles wordt koeltjes-knus teruggebracht tot önverinnerlijkte waarneming en analyse, niets van het diepst-roerende leven in zijn verhevenheid en laagheid teruggevend.
Daar klinkt nu klaar en hel en hard-zeker, de stem van een onzer grootste schrijvers, minachtend-verkleinend, pijnlijk-rustig leelijk vindend zonder haat en zonder woede. En zoo stellig-opwindend als hij vroeger gesproken heeft, met een vlam-vuur in zijn oogen van geestdrift, zoo rustig, koel-critisch richt hij nu, met een kille afgestorvenheid van eertijdsche liefde. Wat past ons, jongeren, tegenover zulk een houding, zulk een vonnis? Dat wij met alle kracht in ons zeggen: Neèn, neèn.... deze vernedering van een geweldig kunstenaar en mensch wijzen we af! Wij hooren uw critisch woord wel, maar ge roert er niets, niets mee in ons binnenste! Gij, Van Deyssel, zelf prachtig-onafhankelijk beoor-deelaar, gij zult deze onafhankelijkheid in ons billijken.
Nooit is Zola voor ons „alles" geweest. Nooit vermocht hij ook maar één moment mijn heerlijken levens-droom met Shelley of Dante of den Bijbel te storen. Nooit heeft hij mijn innerlijkste en gulzigste schoonheids-begeeren zoo heet enziedend,