270 STUDIËN
goudvlammend licht, had hij, met schei-schetterende bazuinen eens, Zola de poort ingereden, naar het lichtende altaar der hooge kunst. Ook toen was deze geest in zijn extase, katholiek van werking, maar zonder ,,verfijning," verdieping der hartstochten. Nu, in een hoogeren ziele-staat, mystisch-lyrisch, en van een dialecti-schen bloei, soms naar het star- en middeneeuwsch-scholastische neigende, is Zola gekeurd en te licht bevonden. Voor hen, die in Zola nimmer hebben gezien dèn grootsten schepper, wijl hij de levens-verinnerlijking vaak met zeer bekrompen naturalisme-dogmatiek voorbij rende, maar toch, hun leven lang, het machtige epische genie in hem zijn blijven eeren en liefhebben; genie, dat in zijn groot menschelijken drang, zich zoo heilig — op zijn wijze even heilig als godsdienstigen — der menschheid had gegeven, — voor hen is zoo'n vernielende critiek niet om te lezen. Met hoeveel genot zullen nu weer de, al honderdmaal weerlegde leugens worden opgetooid tegen de gore platheid en smerigheid en het verbeeldinglooze van het realisme? Met welk koddig misbaar zal nu weer de grinnikende smader van het onbegrepene, mèt Van Deyssel's steun, gaan konkelen over realisme dat in zijn uitwendige vorm-grofheid nooit tot het diepere wezen der wereld doordringt? Hoe zal het weer lallen en zeuren: „natuur copieeren," ״kinemato-