VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 269
testantsche en in roomsche kringen, middenin de opbloei der Vlamingen met Streuvels. Schoon doorgloeid van een cosmisch leven, bleef zijn kunst toch doorademd van den katholieken geest. Streuvels gaf niets van het proletarische landzwoegen. Hij verheerlijkte en bezong natuur, kleur, grond en geluid-van-de־aarde, lyrisch-pantheïstisch. Zijn kunst werd ook niet katholiekvan-strekking, maar wel katholiek van innerlijk gevoel. Ze was plechtig, innerlijk-vervroomd door een diepen scheppingsdrang, en gelijkelijk, psychologisch naïef. Toch óók realisme, door-mengd met symboliek en romantiek... . toch realisme.
Op dat realisme werd echter niet losgeroffeld met hoon en haat. De vereerders van het Zola-genie konden het Streuvelsche realisme heerlijk eerbiedigen, maar de godsdienstige bewonderaars, — tegelijk partijgangers — van Streuvels, niet het Zola'sche realisme. Er werd geslagen, getrapt, beleedigd. De katholieke geest onder de scheppende werkers verhief zich meer en meer. En eindelijk zou dan een der grootste en machtigste woordvoerders, ook katholiek van geboorte, hen bijspringen, zoo niet in afschuw, dan toch in minachting voor het Zola-genie. Niet, — men versta mij wel, — om hen bij te springen, maar door innerlijke vergroeiing zich van Zola afwendend, haalde hij neer. Op een zonnekar, overgudst van