268 STUDIËN
en verlokkelijk het deuntje der neo-romantiek. Doch nimmer, nimmer werd in eenige grondige beschouwing met bewijzen aan het werk zélf ontleend, aangetoond, dat werkelijkheids-beschrijvers en verbeeldings-wezens tegenstellingen zouden zijn. Shakespeare zelf immers was realist en Rembrandt! Een waar realist bezit al de elementen van de afzonderlijke verschijningen: romantiek, visionarisme, verbeeldingsleven, mystiek en zinnebeeldigheid. Maar de literaire partijgroepeerders verlangden saamscholing van stoeten en saam-dringing van meeningen, standpuntjes-afbakening. De luidruchtige groepen met hun kleurig kronkel-spoor, hun strijdkreten en oorlogsmuziek waarvan ik in den aanvang van dit stuk gewaagde. Ook de socialisten groepeerden zich.
Gorter, Holst, Heyermans, Scheltema, tegen Kloos, tegen Verwey.1) Deze weer tegen hen. Min of meer critisch onaangeroerd door den strijd bleven staan: Van Looy, Prins, Coenen, Robbers, Van Hulzen, De Meester. Doch ook de christelijke kunstenaars drongen bijeen; in pro-
Adema van Scheltema in ״De Grondslagen" zeer fel over Van Deyssel oordeelend, zegt o. m.: ״Geen toon van deernis, geen menschelijk geluid van smart of vreugde, rijst ergens op uit hun ongezonde, misvormde of barbaarsche producten. L'art pour 1'art, was de ellendige leus van hen allen en van hem die haar bovenal als een liefde zoo na aan zijn schandelijk onmenschelijk hart heeft gedragen, die alles inhield, wat wij haten en bestrijden, van hem, — den ״kunstdandy" Van Deysel, voor wien van alle wereld en menschelijkheid alleen .... ״het woord" was overgebleven."