VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 267
rustig, wijl er in hun innerlijk niets veranderde. Zij waren altijd met oor, geest en ziel opengebleven voor de mystisch-ruischende zangen van Dante, zoo goed als voor de ontzagwekkende epiek van Zola, al leek hij hen altijd te weinig mènsch-schepper. Maar de echte dogmatisch-literaire partijgangers vreesden deze objectiviteit. De verborgen wind door een orgel zuchtend, maakt hen onrustig; zij moeten weg en wind-kanaal geméten hebben. Er werd een harrewarrig-critisch spel gespeeld met allerlei namen en woorden. Er werd gekeuveld van realisme, naturalisme, romantiek, neo-romantiek, sensitivisme, impressionisme.
En het kon gebeuren, — om maar bij mijzelf te blijven, — dat één schrijver kon worden uitgekreten voor een ontzettend realist (Van Hall in De Gids), kon worden voorgesteld als een geweldig visioenair, (Frits Lapidoth in de Nieuwe Courant) en voor een model-romanticus (Van Bruggen in het Alg. Handelsblad). Zoo ook met Van Deyssel. Realist en lyricus, symbolist en mysticus. De oorsprong dezer verwarring-stichtende naamgever ij tj es kan echter in dit opstel niet worden aangeduid. Er ontstond z. g. verfijning in proza en de menschen die zich door z. g. ״hoogere" geestes-gesteldheid en Verbeeldings-bezit, boven de ,,werkelijkheids"-beschrijvers voelden uitgaan, koesterden deze ,,verfijning" en floten zoetelijk