VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 265
strever en vijand. Van Deyssel vooral heeft de geweldige krachtsconcentratie, het al-menschelijk omvattende en saamdringend-epische van Zola ons laten zién; de ondergrondsch-dreunende werkingen en druischingen van zijn rhythmische woordvaart ons laten hoóren. Hij allegoriseerde rond den donkeren en bloedenden levensgreep van den reus; hij bezong dezen rauwen en hevig-dreigenden aantaster der menschen-hartstochten; hij bejubelde hem met een flonkering van dronken geestdrift-woorden; hij behamerde en bedroop zijn kunst met wild-melodische en bloedende klanken. Hij schond om hém, in een woest rond-stormende opwinding en geluks-wraak, moraal, esthetica en historie. Hij liet ieder zijner verheerlijkende perioden als een levende fakkeldrager öpmarcheeren, en in een begeesterenden drom, het roode, woeste, bloedende nachtgoud uitgieten over de donkere straten en de buurten die niet vlagden en joelden ter bejubeling van zijn God! O! deze ópstootende en aanvallende bewondering, hoe schoon, hoe meesleurend was ze; hoe hevig schreide zijn krijgsmuziek van vreugde en levenskracht en ongeschonden hartstocht. Hoe fel en puntgloeiend hield hij zijn pieken gericht op de borst van den vijand. ״Wat Homerus, wat Goethe, wat Shakespearel" zong hij uit,.... Zola, Zola, dat is de groote, dat is de geweldige, de Satan en de vernieler, maar ook de ontzaglijke levens-