264 STUDIËN
werkelijkheid proefden; om in De Maupassant weer tot een wrange en versomberde sensualiteit te verduisteren, rood en zwart van levensdriftigen brandgloed. En zoo groeide het naturalisme ook in ons land, naar aard, innerlijk en aanleg, in verschillende auteurs. Wèl dadelijk verbrokkeld en ontledend bij gebrek aan groote epische en synthetische talenten in hun begingroei! Zoo kwam het naturalisme van Netscher, Aug. van Groeningen, Van Deyssel, Van Looy, Couperus, Erens, De Meester, Heyermans, Coenen, Robbers, Van Hulzen, naar aard, innerlijk en aanleg telkens gewijzigd, maar in fijnere onderdeelen der werkwijze, toch verwantschap vertoonend met de groote Fransche voorgangers. Hier éen dichter bij Maupassant, daar éen meer nabij Flaubert, enz.
Maar toch, onze prozakunst bloeide, bloeide, op eigen sappen-toevoer. Onze prozakunst en onze levensuitbeelding veroverden een geheel eigen bestaan in al deze verschillende Hollandsche romanschrijvers, novellisten en critici.
De dwazelijk zoo genoemde werkelijkheidsbeschrijving werd hoogelijk geprezen, vooral door toevoeging van het impressionistische procédé.
Zola was voor Holland dé gigant, ingeschalmeid door de zware en dreunende bazuinzangen van Van Deyssel's woord.
Hand voor hand en voet voor voet plaatste hij lynchend-wraakgierig tegenover ieder tegen-