VERZ. OPSTELLEN VAN VAN DEIJSSEL 263
Onze proza-kunst van vijf-en-twintig jaar hèr wordt door de inlichtings-grage critici van heden gretig voorgesteld als een uiting van werkers die vóór alles indrukken en gewaarwordingen wilden weergeven, in verband met een bestaande en voor de zinnen zich immer vertastbarende werkelijkheid. Het was toen de tijd van het z.g. naturalistisch proza; de waarneming heerschte.
Helaas, de soorten van het naturalisme brachten slechts koddige verwarring in de rang-ordening. Hier bracht het naturalisme schepsels met bolle koonen, daar, verhongerde en uitgemergelde tronies; hier lyriek, daar epiek; hier historie, daar fantasie. En de verwarde critici goochelden met hun gist en bakten pannekoeken in alderlei vorm.
In Flaubert's naturalisme leefde de uiterste woord-verfijning, werd op iedere waarneming aangeslepen een flonkerend facet van taal-pracht. In Balzac's naturalisme zongen murmelend de mystiek en het occultisme met de symboliek mee, bouwden zich uit, de groote menschen-ontleding en de tragiek der driften. In Zola's naturalisme blonk het document op, en zijn zieningen rijden zich aaneen tot weergeving der geweldige massabeweging. In Jules en Ed. de Goncourt's naturalisme verfijnde en verkleinde de taal zich tot een honigraatachtige arbeids-kunstigheid; in Daudet weekte het tot een zachte verteedering van gevoelens, die nu en dan de levertraan der