DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 261
heids-verlangens. Hij beweert dat hij zich verveelt en altijd het vage wil op het moment dat hij precies afgeteld heeft hoeveel kantjes hij beschrijven mag voor zijn Vaderland-ieuiUeton, en zich dol amuseert met de pret die hij zijn lezers bezorgen zal om zijn vervelings-gejeremieer. En toch ondergaat ge den kniezenden en afmattenden indruk van zijn vervelings-dag door en door, en doorleeft ge met hem zijn verlangen naar het ongebodene, nooit-afgepaste, zwervende vagebondeeren van den onbelemmerden geest. Hij is het metier zoo flonkerend en virtuoos en tegelijk zoo levendig en gevoels-zuiver de baas, dat hij de stemming die hij u wil laten doorleven beschrijft, terwijl hij, al beschrijvende, u loshaakt van de illusie dat het door hem beschreven is. Dit vermag alleen een zeer suggestieve stijlmacht, en een verhaal-accent van den stijl dat in ons lezers een ontroering veroorzaakt die primair werkt, n. 1. als we onder den indruk geraken, vóór we beseffen waardoor en waarmee die indruk is gewekt. In Couperus is deze suggestieve verhaaltrant ten deele onbewust en ten deele een arglistige comedie van zijn evocatief,, uitbeeldingsvermogen. Hij kan alle soorten van onderwerpen in dit kleine genre aan; dringen we zijn ziel tè na, dan zet hij een mooien streep en is het verhaaltje uit. Ik wou u nog even laten hooren waarom Couperus geen roman meer schrijft. Het