DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 257
en het lichaam dat de afmattingen bij graden af-streept in onze pijndoende oogen, ons nerveus het werk uit de handen slaat, ons óok de grenzen opdringt van zijn werkelijkheid; ons dwingt te leven het leven der lagere persoonlijkheid, toch smachtend, dwars door de niet-bevredigingverve-ling heen, naar het eeuwige, vage, onbekende, niet te noemen met namen en woorden, maar in onze verbeelding bestaand als de hoogste werkelijkheid.
Dat gemengde levens-gevoel is in ieder dezer Couperus-schetsen, meer of minder sterk aanwezig. Hij beschrijft in ״Van en over mij zelf en anderen" b. v. iets uit het leven van den maïtre-d'hotel Michele, met wien hij, heel kameraadschappelijk een uitstapje doet; naar Scarpetta. Prachtig zooals hij het heimwee van dezen somberen jongen Italiaan, verzot op grove komedie-kluchtjes, even laat voelen in zijn observatie, deze weer doormengt met zijn eigen ontroering. En zoo is het met alles wat hij vertelt van zich zelf en anderen. Hij weet het zoo geestig, zoo raket-speels weg te kaatsen; hij weet zijn verhaaltjes zoo zacht-guitig te doortintelen met lieve spotternijtjes, en in zoo dartel tempo uit te spreken. Er is een aroom om de opmerkingen heen dat u zoo fijntjes den neus prikkelt. Het kabbelt en wiegedeint zoo speels om u heen. Gedachte, droom, waarneming en daad, het is
Studiën. 17