256 STUDIËN
geboren scheppend kunstenaar, ieder schrijver, moet die angstige, onrustige knaging van den niet voor scheppen te benutten tijd doorleven; die nerveuze, machteloos-je-omrengelende verveling waarin je hoogere ikheid alleen ziet een dooréén-wemeling van doode seconden en minuten en waarvan de lagere ikheid alleen de foltering der leegheid ondergaat. Je voelt je afzinken tusschen een sfeer van menschen die nooit scheppen, nooit componeeren, niet weten wat creëeren is, en welke ontzaglijke zenuwkrachten onder den hoogsten inspannings-druk van hersens en ziel verbruikt worden. Nu gaan ook zijn organen gewoon aan 't werk. Hij kan zijn hoogere ״zelf" door uitputting, vermoeiing, niet meer öp houden.... O! dat afschuwelijk-logge lichaam. Hij haat nu den zoet-wrangen inkt-geur, de paplucht van papier, het olie-luchtje van drukletters. Hij walgt van proeven, correcties. — En toch weet hij, in het moment van walging, dat hij morgen weer snakken zal naar schrijven, naar werken, dramatisch omspannen van mensch-hartstochten, als dat lichaam maar weer een beetje uitgerust heeft. Dan trilt weer die gulzige werkdrift door zijn vingers, bestaat er voor zijn ziel geen andere werkelijkheid dan die van zijn eigen verbeelding. Daar tusschen, het altijd zich herhalende geworstel van den geest die onbelemmerd wil dóórgaan in zijn werkelijkheid,