DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 255
Couperus' geestigheid in al deze vertelsels treft door de innige gevoeligheid. Het is geen vernufts-, het is de zuiverste gevoels-geestigheid. Het is de scherts, de getemperde ironie van den literairen vagebond, van de krekel-natuur, van den wilden plannen-smeder. Hier geen lyriek van het ״Oosten," geen öpvlerkend fantasie-gedruisch, geen „woordkunstige" orakeligheid. God voedt veel zotten, maar ook wijzen. In zijn gekeuvel en gecauseer is Couperus een gevoed denker. Tot Orlando zegt hij in zijn „De lof der luiheid:" „Ik, Orlando, verveel me altijd. Ik ben vol ideeën, vol plannen, ik schrijf boeken en ik verveel me altijd. Ik reis, ik zie allerlei mooie dingen van kunst, waar ik dol op ben, en ik verveel me altijd. Altijd. Ik verlang altijd vage dingen. Verlang jij nooit vage dingen?"
Dat is de open Couperus en dat sentiment in hem lijkt me-zelf de ziel uitgesneden. Ik doorleef, proef ieder woord ervan als een diepe, hevige werkelijkheid. De verklaring? Het is gevolg van de onrust in ieder scheppend kunstenaar die door physieke elementen zijn scheppings-drang en uit-houdings-vermogen begrensd weet. Hij voelt zich na de uren van scheppend bezig-zijn, afzinken, afdrijven naar een lagere sfeer van gewone dingen die hem niet meer boeien, wijl hij ze niet als kunstenaar kan herscheppen, daar zijn krachten voor dien dag opgebruikt blijken. Ieder