DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 251
levensgevoel en van zijn navrante pathologische gewaarwordingen soms in een zoo dreigend verbond zien met verwilderde erotiek, dat groote woorden over veronderstelde afwijkingen in psychisch en physisch organisme te gauw gebruikt worden. Dat juist is het onbillijke, want diezelfde Couperus heeft in zijn werk vele eenvouds-volle fijnheden en een soms heerlijke natuurlijkheid.
Deze laatste reeds gegeven kenschetsing ter uitwerking.
Eenvoudsvolle fijnheden en een soms heerlijke natuurlijkheid. Zoo roem ik naast opgeschroefden, onnatuurlijken bombast en valsch-rhetorische op-smuksels, eigenschappen van Couperus als ver-halen-schrijver. Laat ik u stillekens iets mogen toevertrouwen. Als Couperus dóódsimpele verhaaltjes geeft van zijn Italiaanschen fantasie-vriend Orlando, van Elletra, van zijn kat, zijn hond, zijn kamer, van zijn melancholie, zijn spleen, zijn verveling, dan is Couperus diep, innig, levens-oprecht tot de verste grens, dan is hij een mondaine wijze. Dat klinkt u allicht gek en toch is het zoo. Wijs en wijsgeerig. Geen woord-gespartel meer, opgevijzeld door allerlei onbenullige en literair-onbe-voegde krantenmenschjes. Een nerveuze, maar diep-indringende menschenkenner. En gegeven onder een schijn van luchtigheid al die wijze, fijne ziels-uitplooiingen en stemmingen. De keuvelaar Couperus meent ge,.... mij is hij de