250 STUDIËN
keuvelt en beklatert het heelal, met looden woordregens. De klatergoud-fantast bij uitnemendheid, met opretteachtige goudstof-bestuiving u het gezicht verblindend. Hij dwaalt door de hemelen als een gepoeierde clown der verbeelding. Zijn woord is drijflyriek. Natuurlijk is het verhaal-deel in deze schetsen van goden, keizers, dichters en hetaeren veel beter dan het beschrijvings-deel, schoon ook dit te veel op doo-dende routine steunt. Het meest geslaagd is de vertelling ,,Van vagebonden en schelmen" en „Een morgen vol anecdoten." Jammer dat het dramatische element in deze verhalen, waar toch bijna alles op neerkomt, bijna even geforceerd en slap is als de beschrijvings-stijl. Hoe blij ben ik na deze afkeuring nu mijn bewondering te kunnen geven voor den verhalen-schrijver van: „Korte Arabesken" en „Van en over mijzelf en anderen." Want deze genegenheid ondervond geen afkoeling door scherp-critische keuring van het andere wezensdeel van Couperus. |f Al heb ik zijn fantasie-vlinders 't broze lijfje doorprikt en op kamfer gezet, den roman-werker Couperus, — ondanks verschillende afschuwelijke boeken als Wereldvrede, Hooge Troeven, Langs Lijnen enz. — zal ik immer in ongeschonden bewondering gedenken, en onder onze voornaamste schrijvers blijven liefhebben.
Men kan het complex van zijn stijl, van zijn