DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 251
losjes, en keuvelig-gezellig en bevallig-virtuoos bijeen geregen, en toch is het zoo zwaar-op-de-hand, zoo wijdsch-doenerig en zoo cosmisch-, pseudo-omspannend. Het , vreeslijkste verhaal bij Couperus, gedoopt in zwart-geronnen bloed, roert nog niet, wijl er geen menschelijkheid en geen gevoels-zuiverte achter en onder leeft.
Het lijkt een begeuren van Homerische mythe-droomen, in werkelijkheid is het een troebel bezinksel van veel studie en een grabbelen in de verbeeldings-bloemen der Grieken en Romeinen. Opsmuksels en loovertjes-stijl____in één
blaas van de aarde! Ge zult zeggen: Een zeepbel dan? Een schoone feërie van bevende kleuren, op het ijlste lucht-vlies van waterschuim uitgespannen. ...
Dat is 't juist. Couperus' stijl heeft niets van zulke feërieke schoonheid. Mijn God, wie verdraagt al die monologen van mythische schepselen? Lyriek van lood! Is dat charme, woord-geflits? Is dat de luchtig-dartele dans van de taal, is dat bevallig geschitter en geglans en geminnekoos der verbeelding? Het lijkt er niet op. Een groot, persoonlijk kunstenaar gaat tot de waargenomene, of innerlijk-geziene dingen in, als een thalmudhist tot de omschemerde ziels-geheimen van zijn heiligen tekst. Gij herkent een diep werker in het duister van het onbewuste, onmiddellijk aan zijn gebaar en zijn stem. Couperus nu be-