248 STUDIËN
ander sterveling ooit hebben meegekregen. Precies zoo bij de oud-testamentische profeten. Beluister rhythme, klank, beeld, gedachte. Het is alles ineengestrengeld, doormengeld en van den hoog-sten zieners-hartstocht ópgevoerd.
Met één zin slaan ze een ruimte rond ons, waarin we wegstorten. Met één zin bezingen en naderen zij het Goddelijke wezen. Hun taal is apocalyptisch, zwart, duister, diep. Er woelt een nacht van gedachten en smart-stormen doorheen. Maar ook is hun taal van het helste en schitterendste licht doorslagen, gaat hun visioe-naire verbeelding naar het allerhoogste. Nooit praal, holheid, decoratie. Ieder woord als een droppel menschenbloed, die niet vermorst mag worden.
Bij Dante precies zoo. Couperus mist juist alle hoogere individualiteit. Zijn stijl is van een schittering, met een zucht om te blazen! — O, dingen van schubben-schittering, van vlietend leven en dartel licht en jubel-glanzen, kunnen heerlijk zijn; ook al wordt de diepere menschelijk-heid in arabeske-schoonheid gemist. Want ook het grillig-grootsche, ongebondene, smaaklooze kan somwijle en voor korten duur van bekoring zijn. Maar ook die schubben-schoonheid, die uitwendige flonkering van de praal-dingen, die dooreenwemeling van glanzen, heeft Couperus slechts een enkelen keer. Het lijkt alles wel