DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 247
dartelheid beduiden. Kent ge de wezenlijk geweldige zieners-zinnen van de profeten uit het Oude Testament? Zinnen, doorzwollen van een geestelijke kracht, een hartstochtelijke angstigheid voor het Almachtige verhuiverend, die ons klein doen ineenkrimpen van benauwing en beklemming? Zinnen, die een godsdienstige en profetisch-dichterlijke vervoering in ons hart ontladen, ons verstommend. Bij Couperus is de woord- en beeldgroepeering waarin de fantasie levend zal worden, alleen uittredend in een kunstmatige materiaal-bewerking. Hij is verzamelaar van kleurige woorden, hij stuwt ze bijeen en rijgt ze als kralen aan een koord. De glans leeft niet in den geest die de woorden baart, schept, maar in de kleurigheid van het kleurige materiaal op zichzelf. — Nooit bijna openbaart zich een ding, wezen, een verschijnsel, door zijn, uit eigen ziel en ontroering meegegeven visie. Bij Shelley leeft de fantasie als een hevige werkelijkheid. Dóór zijn zeggen, beelden, dramatiseeren. Hij geeft het binnenste van zijn ziel mee aan rhythme, geluids-gang van het woord, aan de klank-uitdrukking.
Ge ziet wezen, groep of verschijnsel door zijn geheel-persoonlijke beeldingsmacht als nooit te voren. Gij ziet plots wezens en dingen door een rhythme gestuwd, een klankgolving gedragen, een gloed omschenen, die ze, vóór dien, van geen