246 STUDIËN
Hoe woordstuipig leeg dit fantasie-spel is, ge kunt het ervaren uit de dialogen en monologen
in Adonis.
Nergens is gepoogd de mythologische persoon in zijn eigen wezen te objectiveeren. Al deze goden, godinnen, bovenmenschelijke en half-bovenmenschelijke schepselen, beschikken over den lyrischen codex van Couperus. Het is al Couperus wat er kraait.
״O blijf, blijf, Adonis! blijf! Zie, ik ben de mooiste: er is vrouw noch godin, die heerlijker is, en, Adonis, ik ben de wetendste: er is geen liefde, die meer weet dan de mijne, want ik ben de godin aller schoonheid en liefde".... „Wie nadert, wie nadert dan? Adonis, de zonhelle dag baart me spokeverschrikking" . . . . „Blijf wachten met ons, tot Helios ginds aan het Westen is weggedaverd met zijn brallende paarden en bliksemenden wagen".... „O glimlach Afro-drite, glimlach, o glimlach, o glimlach weer, o glimlach weer! Glimlach weer".... „Bied Afrodrite de onyxen kruike."
Zoo gaat het bladzij aan bladzij door, in een ijlenden stijl, in waarheid, in een stijl van leeg-verstandelijk vernuftswerk. Telkens hoort ge nimphen, najaden, dryaden, een gelukkig woord-vondske vasthouden en herhalen, zooals van den „everkop die zwart uitbloedt." Bij geen ander schrijver kunt ge, in zóó volgehouden toon, zoo van alle gevoel gespeende woordenmassa's verzwelgen als bij Couperus. Dit moet nu Oostersche vervoering en levens-vergeestdriftiging en hoogere