244 STUDIËN
kan Couperus niet. Een gevoelshouding, een diep-doorleefd-menschelijke, tegenover de visioenenwereld van zijn mythologische stof, ontbreekt hem totaal. Het is de zinnelijke waarnemingsvoorstelling van de straat, van den boulevard, verplaatst in het luchtruim, en overgloeid met rood-electrisch en fakkeldampig flakkerlicht. Het is kermispraal. Zulk sirenen-gezang hoort ge óok in den schellen sleep-toonaard van het sein, als de stoom-draaimolen zijn fluweelen-wagen-wemeling en kruiskringen, rond verlichte stangen, aanvangt. Het is gedruisch, gejoedel, lawaai. Het is een fantastisch gewentel van door het weer geschonden spiegels, die telkens éénzelfde tafreel rondduikelen, dwars, schuin en op den kop. Lees eens goed de eerste alinea: ,,de als emotie-looze idealiteit van dien onvergelijkelijken morgen met al wat er op volgt: dien ,,droom van marmer," die ,,architecturale fabel," die ,,édelste steensoorten," die ,,eindelooze terrassen," die ,,immense exedra's," die „tempels, theaters, paleizen," die „portieken op portieken," en voel de machteloosheid van dit woordgestapel, den onderbroken zwaai van het rhythme, geschoven met poehah en woord-branieindeplaatsvan dewezenlijke evocatie, de plastiek, de beschrijving die ons moest laten zien.
Doe precies zoo met de citaten uit Adonis. En laat u niet beet nemen door het gemanieëreerde gebruik van opsmuksels als „ochtendpareling"