DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 243
zulke zinnen zijn geestdrift nauw bedwingen kunnen. En zelfs zeker slag van taaiwerkers zal door de uiterlijke fraai-doenerij van dit proza gegrepen worden. Maar ontleedt nu eens beeld voor beeld; beluister eens, met het innerlijk, stil, de innerlijkheid van deze woordmuziek. Ik kan mijn afschuw voor zulk hol-decoratief woordgeknoei niet sterk genoeg uitspreken. Pralend effect van een grof panorama-verver; door en door valsche virtuositeit. Iedere geur van natuur -mythologie is er vreemd aan. Protserig-vergulde fantasie-banaliteit, opgeflikt met goedkoope loo-vertj es-schittering en een straalvezelig woord dat zelfs geen kuchje leven verklankt. Wat ons het eerst opvalt, het is de stijl-machteloosheid. Wat is ,,onvergelijkelijke schoonheid?" Direct al, bij den inzet, een dood woord, een machtelooze gevoelshouding als plasticus tegenover het onderwerp, de stof. Een wezenlijk stijlvoeler weert deze uitdrukking en schuwt ze, omdat ze slechts kan zijn: machteloosheid-erkenning, — en dan gezegd zonder schaamte, — of suggestie-term, bijgewerkt met schijn-vernuftige woord-combinaties en een grove woord-kleurigheid. Wat voor waarde heeft het ons te melden, dat het een ochtend van „onvergelijkelijke schoonheid" was? Laat ons iets van die schoonheid zien, voelen, hooren, ondergaan, met uw rhythme, uw beelden, uw klanken, uw geestelijke ontroering. Maar dat