DRIE BOEKEN VAN COUPERUS 243
linkerborst des jagers, om speelsch te bespieden de vermindering der hevigheid van zijn hartklop (hoe plaatjes-snoezig Q.) na het alleropperst geluk (leuk, dat alleropperstë in de ,,allerdiepste" rust Q.) en terwijl zij het rustige rythme daarvan glimlachend had gevolgd, was zij ingesluimerd en dieper en dieper verzonken in de astrale afgronden (Q?) die zijn des slaaps."
De onnatuur van dit proza, schoon nu al van een bont-koddige verwardheid en fantastische caleidoscopie, bereikt hier nog niet zijn grenzen. Bij Couperus kan het altijd nog onnatuurlijker en bloemrijk-valscher.
,,....zij beminde in Adonis wel hem die haar neertrok uit goddelijkheid in de minderwaardigheid van het mensche-lijke," — .... ,,hoorde hij aannaderen op meerderen wind Eos, wier vingeren wierpen uit sluier de rozen harer morgen-tuinen, hoorde hij stralend naderen Helios, maar door dat bruisen van aangloriënden triomf heen, hoorde hij dichterbij ook ontwaken het woud en ritselen ontelbare (hij is goed Q.) geluiden."
,,.... en hij begreep dat het goudenste bloed, zuiver en warm toch, door haar fijne aderen stroomen moest, om haar die schoonheid te geven van onbegrepene goddelijkheid en onverklaarbaarder vrouwelijkheid tevens."
Nu volgen zulke heerlijkheden, telkens herhaald.
,,Boven de zee schimmerde, in bovenmatig stralende glorie, de zonnegod." „Als een azuren vlamoceaan,".... „....dat oppermachtig Helios heerschte,".... een ״vierspan van
vlammende zonnerossen"____״.... vurige kar"____״Door
de nacht klonk als een etherische trilling van goudene, goddelijke, heel verre snaren".... Studiën. 16